- De doos
- De naam
- De verhalen
- De geschiedenis
- Missing links
- Joachim Laukens
- Nog een Joachim Laukens
- Overleden in den vreemde
- De Nederlandse link
- Een Oost-Indische link?
- Een grafsteen in de St-Andrieskerk in Antwerpen
- Antonius Laukens in Mechelen
- De Duitse link
- De link met naamgenoten in Overpelt en Neerpelt
- Emigratie naar Australië
- Vermelding in Kalmthout in 1629
- Johannes A.W. Laukens in New York
- De stamboom
- FAQ (English)
- Methodiek
- Bronnen en links
- Privacy
- Contact
- Copyright
Teuten |
Zoals we elders reeds vermeld hebben was de Achelse familie Laukens een bekende teutenfamilie. Maar wat waren nu precies die teuten?
Het fenomeen moet ontstaan zijn in de zestiende eeuw in de Kempense dorpen gesitueerd aan weerszijden van de huidige Belgisch-Nederlandse grens in het noorden van de provincie Limburg. Het was oorspronkelijk een arme, dunbevolkte streek, waar de schrale heide en zandgrond te weinig opbrachten om de grote families te voeden. Dit dwong de mensen er toe een ander bestaan te zoeken. Oorspronkelijk deden velen aan vervoer van de haven van Antwerpen naar Duitsland. Maar toen de Schelde na de val van Antwerpen in 1585 gesloten werd, kwam dat vervoer tot stilstand. Om in hun broodwinning te blijven voorzien maakten sommige van deze vervoerders gebruik van de intussen opgedane kennis om een eigen ambulante handel op te zetten. Zij kenden immers de waren die zij tevoren vervoerden, hadden zicht op de vraag ernaar, spraken vreemde talen, en waren op de hoogte van de routes en de plaatselijke geplogenheden.


Teuten behoren tot het culturele erfgoed van de grensgemeenten. Links de Koperteut van Luyksgestel, in het midden de Textielteut van Hamont, en rechts de Lommelse Teut.
Teuten waren dus handelaars, die vanuit hun dorp maandenlange tochten ondernamen om hun handel te bedrijven in Nederland, Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Luxemburg … Zij waren het grootste gedeelte van het jaar van huis weg. Alleen tijdens de wintermaanden, rond de nieuwjaarsperiode van half december tot half februari kwamen de “buitengangers” thuis. Zij handelden in textiel, in aardewerk, verkochten en herstelden koperwaren, waren veesnijders (castreerders), of handelden in menselijk haar. Zij waren strikt georganiseerd in compagnieën, met eigen regels en gewoonten, zelfs met een geheimtaal (een eigen Bargoens)!. Voor hun veiligheid reisden zij in groep. In het buitenland beschikten zij vaak over magazijnen die ze als uitvalsbasis voor hun handel in de omgeving gebruikten.
Men werd niet zomaar teut, maar moest een proefperiode doorlopen en zijn vakkennis bewijzen; eerlijkheid, werklust en handelsgeest waren belangrijk. De compagnieën bestonden vaak uit personen met onderlinge familiebanden. Op die manier werden echte familiefortuinen verzameld.
Een met de teuten vergelijkbaar verschijnsel ontstond ook in Duitsland, en wel, maar niet uitsluitend, in de regio tussen Reine, Lingen en Osnabrück, in Westfalen. De handelaars werden daar Tödden genoemd. Zij trokken vanuit hun geboortedorp richting het rijke Nederland, maar ook naar Scandinavië, de Baltische Staten, …. Of de benamingen “Tödden” en “teuten”, op het eerste zicht gelijkluidende begrippen, verband houden met elkaar schijnt niet bewezen. Evenmin zou aangetoond zijn dat deze handelaars onderling contacten onderhielden. Anderzijds is aannemelijk, zelfs waarschijnlijk, dat Tödden en teuten elkaar op hun reizen tegenkwamen en kennis maakten: hun routes kruisten mekaar. Hun afkomst (arme streek) en hun manier van werken (organisatie, geheimtaal, lange uithuizigheid) hadden ze alvast gemeen.
Teuten verdienden meer dan gemiddeld en werden daardoor belangrijke burgers. Vaak bouwden zij een mooie grote woning in het centrum van het dorp, en kregen er belangrijke functies in het bestuur.
Sommige teuten en Tödden hebben via hun handel een commercieel imperium opgebouwd; ze lagen daarmee aan de basis van multinationals als Unilever (ontstaan uit de handel in boter van van den Bergh en Jurgens) en C&A (Brenninckmeijer), Vroom en Dreesmann, Peek en Cloppenburg,…
Ongehuwde Teuten leerden op hun reizen wel eens hun partner kennen; mogelijk is dit een reden waarom sommigen zich later ergens in den vreemde vestigden: mogelijk verklaart dit ook verschillende huwelijken van onze naamgenoten ver buiten hun eigen gemeenschap (zie Verspreiding van de naam Laukens).
Dat het teutenberoep niet zonder gevaar was ligt voor de hand. Zij waren immers voortdurend onderweg met hun waardevolle koopwaar en belangrijke sommen geld. Ook ziekten (pest!) lagen op de loer, zie daarover bijvoorbeeld de sterfgevallen “peregere” (in den vreemde) in de parochieregisters van Overpelt (zie Overleden in den vreemde).
De teuten hebben een belangrijke rol gespeeld in de welvaart van hun geboortestreek. Als vermogende burgers deden zij ook aan goede werken: zo hielpen zij Hamont- Achel mee aan een nieuwe windmolen, en financierden zij mee de kerk. Hier en daar vindt men nog voorbeelden van hun mooie burgerhuizen, zoals het Simonshuis in Hamont-Achel. Ook in openluchtmuseum van Bokrijk staat een teutenhuis; het werd overgeplaatst vanuit Eksel.
De teutenhandel stierf uit in het begin van de twintigste eeuw, onder meer door de afsluiting van de Belgisch-Nederlandse grens tijdens de eerste wereldoorlog en door de wijzigingen in de reglementeringen rond de buitenlandse handel. Het fel verbeterde vervoer (spoorwegen), waardoor goederen snel en goedkoop konden worden vervoerd, zal er ook wel iets mee te maken hebben.
