Teuten

Zoals we elders reeds vermeld hebben was de Achelse familie Laukens een bekende teutenfamilie. Maar wat waren nu precies die teuten?
 
Wij vonden een beschrijving van het werk van de teuten (ook al werd het woord "teut" niet gebruikt) letterlijk in de marge van de volkstelling van 1796 , dus tijdens de Franse bezetting, in de tabellen van Overpelt. De opsteller van de tabellen vond het om één of andere reden nuttig erop te wijzen dat een aantal mensen hun beroep in het buitenland gingen uitoefenen. We geven hieronder de Franse tekst met een vrije vertaling.
 
 
 
 
 
 
 
 

     Noteer dat

 
      al diegenen die in deze
      tabel (= de volkstelling) worden 
      genoemd als castreerder
      van paarden en varkens,
      ketellappers of textielhandelaars,
      én anderen, jaarlijks
      4,5 à 6 maanden of meer
      het dorp verlaten
      om hun brood te verdienen
      in het buitenland,
      door hun vak te beoefenen
      of (klein)handel te drijven.
      Meerderen onder hen
      zijn vandaag afwezig.
      Zonder hen zou onze gemeente
      niet kunnen overleven als gevolg
      van de onvruchtbaarheid
      van de (landbouw)gronden.
 
 
 
  
 
 
Het fenomeen moet ontstaan zijn in de zestiende eeuw in de Kempense dorpen gesitueerd aan weerszijden van de huidige Belgisch-Nederlandse grens in het noorden van de provincie Limburg. Het was oorspronkelijk een arme, dunbevolkte streek, waar  - zoals de tekst zegt - de schrale heide en zandgrond te weinig opbrachten om de grote families te voeden. Dit dwong de mensen er toe een ander bestaan te zoeken. Oorspronkelijk deden velen aan vervoer van de haven van Antwerpen naar Duitsland. Maar toen de haven van Antwerpen door de Spanjaarden einde van de zestiende eeuw gesloten werd, kwam dat vervoer tot stilstand. Om in hun broodwinning te blijven voorzien maakten sommige van deze vervoerders gebruik van de intussen opgedane kennis van de waren die zij vervoerden en van de vraag ernaar, van vreemde talen, van routes, en van plaatselijke geplogenheden om een eigen ambulante handel op te zetten.
 
                             
         
Teuten behoren tot het culturele erfgoed van de grensgemeenten. Links de Koperteut van Luyksgestel, in het midden de Textielteut van Hamont, en rechts de Lommelse Teut. (Foto's: Herman Laukens)
 
Teuten waren dus handelaars, die vanuit hun dorp maandenlange tochten ondernamen om hun handel te bedrijven in Nederland, Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Luxemburg … Zij waren het grootste gedeelte van het jaar van huis weg. Alleen tijdens de wintermaanden, rond de nieuwjaarsperiode van half december tot half februari kwamen de “buitengangers” thuis. Zij handelden in textiel, in aardewerk, verkochten en herstelden koperwaren, waren veesnijders (castreerders), of handelden in menselijk haar. Zij waren vaak georganiseerd in compagnieën, met eigen strikte regels en gewoonten. Voor hun veiligheid reisden zij in groep. In het buitenland beschikten zij vaak over magazijnen die ze als uitvalsbasis voor hun handel in de omgeving gebruikten
 
Men werd niet zomaar teut, maar moest een proefperiode doorlopen, zijn vakkennis bewijzen; eerlijkheid, werklust en handelsgeest waren belangrijk. De compagnieën bestonden vaak uit personen met onderlinge familiebanden. Op die manier werden echte familiefortuinen verzameld.
 
Volgens sommigen hanteerden de teuten onderling zelfs een eigen geheimtaal (een eigen Bargoens), maar dit wordt overtuigend tegengesproken door Jef Mertens (zie “Voor wie er meer van wil weten”), die dit Bargoens als een 19de eeuws verzinsel bestempelt. In ieder geval verklaarden enkele hoogbejaarde teuten in 1928 dat zij of hun vader nooit een geheimtaal gebruikt hadden: “Als we in Holland niet verstaan wilden worden, spraken we ons dialect”. Terecht merkt Mertens op dat het hanteren van een geheimtaal haaks stond op de eerlijkheid, openheid en vertrouwen, toch de kenmerken van de handel van de teuten!.
 
Een met de teuten vergelijkbaar verschijnsel ontstond ook in Duitsland, en wel, maar niet uitsluitend, in de regio tussen Reine, Lingen en Osnabrück, in Westfalen. De handelaars werden daar Tödden genoemd. Zij trokken vanuit hun geboortedorp richting het rijke Nederland, maar ook naar Scandinavië, de Baltische Staten, ….
 
De benamingen “Tödden” en “teuten” klinken verwant, maar het verband is voorlopig nog niet aangetoond. Men is er ook nog niet in geslaagd de herkomst van de benaming “teut” ondubbelzinnig te duiden. Jozef Mertens vermeldt in zijn uitvoerige studie 14 mogelijke verklaringen – de ene al fantasierijker dan de andere – die in de loop der jaren naar voren werden geschoven.
 
Dat “Tödden” en teuten onderling contacten onderhielden is niet bewezen. O.i. is het aannemelijk, zelfs waarschijnlijk, dat Tödden en teuten elkaar op hun reizen tegenkwamen en kennis maakten: hun routes kruisten mekaar. Hun afkomst (arme streek) en hun manier van werken (organisatie, lange uithuizigheid) hadden ze alvast gemeen.
 
De hardwerkende en spaarzame teuten verdienden meer dan gemiddeld en werden daardoor vooraanstaande burgers. Vaak bouwden zij een mooie grote woning in het centrum van het dorp, en kregen er belangrijke functies in het bestuur.
 
Sommige teuten en Tödden hebben via hun handel een commercieel imperium opgebouwd; ze lagen daarmee aan de basis van multinationals als Unilever (ontstaan uit de handel in boter van van den Bergh en Jurgens) en C&A (Brenninckmeijer), Vroom en Dreesmann, Peek en Cloppenburg,…
 
Ongehuwde Teuten leerden op hun reizen wel eens hun partner kennen; mogelijk is dit een reden waarom sommigen zich later ergens in den vreemde vestigden: mogelijk verklaart dit ook verschillende huwelijken van onze naamgenoten ver buiten hun eigen gemeenschap (zie Verspreiding van de naam Laukens).
 
Dat het teutenberoep niet zonder gevaar was ligt voor de hand. Zij waren immers voortdurend met hun waardevolle koopwaar en belangrijke sommen geld onderweg. Ook ziekten (pest!) lagen op de loer, zie daarover bijvoorbeeld de sterfgevallen “peregere” (in den vreemde) in de parochieregisters van Overpelt (zie Overleden in den vreemde).
 
De teuten hebben een belangrijke rol gespeeld in de welvaart van hun geboortestreek. Als vermogende burgers deden zij ook aan goede werken: zo hielpen zij Hamont- Achel mee aan een nieuwe windmolen, en financierden zij mee de kerk. Hier en daar vindt men nog voorbeelden van hun mooie burgerhuizen, zoals het Simonshuis in Hamont-Achel. Ook in openluchtmuseum van Bokrijk staat een teutenhuis; het werd overgeplaatst vanuit Eksel.
 
De teutenhandel stierf uit in het begin van de twintigste eeuw, onder meer door de afsluiting van de Belgisch-Nederlandse grens tijdens de eerste wereldoorlog en door de wijzigingen in de reglementeringen rond de buitenlandse handel. Het fel verbeterde vervoer (spoorwegen), waardoor goederen snel en goedkoop konden worden vervoerd, zal er ook wel iets mee te maken hebben.
 
Voor wie er meer van wil weten:
 
Op internet is heel wat te vinden over de teuten; even googelen volstaat..
 
Op initiatief van de heemkundige kring "De Goede Stede Hamont" werd en wordt een website ontwikkeld die volledig aan het fenomeen van de teuten gewijd is. Deze website kan door ieder onderzoeker verder aangevuld worden. Adres: www.teuten.eu.
 
In 2011 verscheen een boek van de hand van Jozef Mertens: “Onder invloed van Jan Frans Willems en Pieter Ecrevisse: 19-de eeuwse mythevorming rond taal, herkomst, handel en wandel van de Kempense teuten”, waarin heel wat informatie is te vinden. Het is een uitgave van Erfgoed Lommel, Luikersteenweg, 3920 Lommel. Mertens toont aan hoe het komt dat in de negentiende eeuw de negatieve beeldvorming rond de teuten ontstaan is, met name door de rol van de bekende Vlaamse voorman Jan Frans Willems, met een bijdrage over de zogenaamde “teutentaal”, en door een roman van Pieter Ecrevisse, waarin de teuten als een criminele bende, gelijkgesteld met de bokkenrijders, werden voorgesteld. Verder is er een editie van belangrijke bronnen i.v.m. de teuten, en geeft hij een aantal aanzetten tot de verdere studie ervan.